Dode puppy’s en tranen

Roddia Rumahloine

Mijn vinger rustte op de vettige knop. Eigenlijk moest ik die eens schoonmaken. Negenhonderd watt, zes minuten. De geur van lasagne vulde mijn keuken. Ping.

Met het dampende bord op schoot keek ik voetbal. Niemand scoorde. Ik at mijn lasagne gretig en snel, als een veertigjarige maagd die voor het eerst seks had. Na afloop zag ik een rode vlek op mijn shirt. Met mijn nagel pulkte ik aan het stukje tomaat. De vlek werd alleen maar groter. Wat een ellende. Ik trok mijn shirt uit en kroop in bed. Het was nog maar tien uur. Ik hoopte dat het kabeltje van mijn telefoonoplader zich om mijn nek zou wikkelen in mijn slaap, terwijl ik dacht aan de tieten van Penny.
            De volgende ochtend opende ik teleurgesteld mijn ogen. Ik sleepte mezelf naar de douche, maar bleef onderweg met mijn teen steken in het verfrommelde wc-papier dat door mijn aangekoekte zaad aan de vloer plakte. De treurige prop en ik keken elkaar aan. Met mijn teen probeerde ik hem te bewegen. Hij bleef standvastig liggen. Ik besloot hem later op te ruimen.

De trein zat vol forenzen. Vervelende mensen, die met hun leren laptoptassen de stoel naast zich bezet hielden. Mensen met gebogen hoofden, gefocust op hun telefoon. Ik nam net een slok van mijn slappe koffie toen de trein plotseling remde. Het hete slootwater spoelde over mijn hand. Godver. Betaalde ik niet te veel huur voor mijn ‘studio appartement’ om elke dag naar dat treurige betonnen oord buiten de ring te reizen?
            Op mijn telefoon klikte ik naar een vacaturesite en scrolde door de aangeboden banen. Voor de eerste baan was ik te oud, voor de tweede had ik te weinig ervaring. Bij de derde knapte ik meteen af op: ‘Je krijgt de voogdij over de kantoorhamster.’ Alleen mijn moeder zou voor een kantoorhamster willen zorgen. Ik moest haar eens bellen. Later, na werk. Ik drukte mijn telefoon uit en staarde naar het voorbijtrekkende groen dat over precies drie minuten zou veranderen in grijs.

Alle flexwerkplekken bij het raam waren bezet, dus schoof ik aan bij Dolores. Niemand wilde naast haar zitten, omdat ze naar zweet rook. Een publiek geheim waar ze zelf niet van op de hoogte leek te zijn. Ik had weleens overwogen om een anoniem briefje te schrijven met de tip om wat vaker te douchen en deodorant te gebruiken. Gewoon om een goed mens te zijn.
            ‘Oscar. Je bent te laat,’ zei Dolores.
            En jij stinkt, wilde ik zeggen. Ik hield mijn mond en drukte de computer aan.
            ‘Zal ik koffie voor je halen?’ Ze compenseerde een scherpe opmerking altijd met overdreven vriendelijkheid.
            ‘Ja, lekker,’ zei ik. Toen ze wegliep, rook ik de kruidige walm. Knoflook, vermengd met oud zweet.
            Het was niet altijd zo geweest, mijn leven. Toen ik nog thuis woonde, waren mijn dagen gevuld met gamen, hooguit wat zorgen om mijn wiskundehuiswerk en om zes uur een warme maaltijd op tafel. Later waren Sam, Katsuro en ik de gelukkige bewoners van een vervallen appartement. ‘s Nachts feestten we en ontmoetten we meisjes. Ik had het gevoel dat ik onderweg was naar iets groters. Er waren zelfs dagen waarop ik kookte. En ik had Penny.
            We hadden elkaar ontmoet tijdens een oud en nieuw feest in een koude loods. Het thema was ‘piraten’ en om onbegrijpelijke redenen hadden alle meisjes extreem korte rokjes aangetrokken. Penny droeg een vale fleecetrui. Mijn halve pil was net ingekickt, dus ik ging lekker en had het zelfvertrouwen van Ryan Gosling. Ik stapte op haar af met de woorden: ‘Mooie outfit.’ Ze lachte en zei dat ze het liever warm had. Ik staarde naar haar sproeten die als mieren over haar gezicht krioelden en gaf haar mijn ooglapje. Vrolijk trok ze het over haar bruine oog.
            In de vroege ochtend ging ik met haar mee naar huis. We dronken verse muntthee onder een dekentje op haar bank. Ze droeg nog steeds mijn ooglapje. Voor ik het wist, zat ze boven op me met haar tong in mijn mond. Ze smaakte fris, naar zomer en ijsjes. Daarna kleedde ik haar uit en zag ik voor het eerst wat ze allemaal onder die fleecetrui had verstopt. Ik likte haar donkere huid en drukte mijn lippen teder op haar tepels. Mijn handen volgden de zachte lijnen van haar rug tot aan haar billen. Die kont. Tering. Ik wilde met haar neuken, daar op die bank, maar mijn pik werkte niet mee. Ik gaf hem een tik, in de hoop dat hij omhoog zou komen. Er gebeurde niets. Penny was lief en zei ondeugend: ‘Er komen vast meer momenten.’ Toen viel ze tegen me aan in slaap. Ze leek te dromen over eenhoorns en konijntjes. De hele tijd durfde ik me niet te bewegen. Toen ze een paar uur later wakker werd, had ik kramp in mijn arm.
            Tijdens de lunch nam ik twee kroketten uit de kantine. Ik at ze op in het kopieerhok. Zo ver mogelijk bij Dolores vandaan.

Op de groenteafdeling van de supermarkt riep ik geluidloos ‘help’. Niemand kwam me redden. Langzaam slenterde ik naar de magnetronmaaltijden. Vandaag werd het kipgroentecurry met jasmijnrijst.
            Deurtje open. Curry erin. Het leek alsof mijn leven een aaneenschakeling was geworden van dichtslaande magnetrondeurtjes. Mijn vinger op die vieze knop. Die moest ik echt eens schoonmaken. Negenhonderd watt, zes minuten. Ping.

Toen ik de volgende ochtend in de trein een meisje zag met dezelfde krullen als Penny, dacht ik ineens weer aan de prop die nog op mijn slaapkamervloer lag. En ik moest mijn moeder bellen. Ik pakte mijn telefoon en zag een berichtje van Katsuro. Een foto. Katsuro’s repertoire bestond doorgaans uit memes en pikken. Vond hij grappig. Vanwege de glurende oude vrouw naast me hoopte ik op een dikke stijve lul. Ik opende de foto. Het was een zwarte massa met grijze strepen. In het midden een witte vlek die op een ruimtewezen leek. Ik zoomde in op de tekst rechtsboven: ‘M. Gerritsen’. Marissa. De vriendin van Katsuro kreeg een baby. Nadat ik een paar minuten naar de foto had gestaard, drong het tot me door: Katsuro kreeg dus ook een baby. De eikel.

Vanaf de straat zag ik dat er nog één flexwerkplek vrij was bij het raam. Ik begon te rennen naar de ingang, in de hoop dat niemand me zag. Hijgend bereikte ik de draaideuren. Bijna botste ik tegen de directeur op. Met haar korte zwarte haren deed ze me denken aan een raaf.
            ‘Zo, jij hebt er zin in.’ De raaf had haar sigaret al in haar mond.
            Ik lachte wat en wilde doorlopen.
            ‘Word jij wel eens kwaad?’ Ze stak haar sigaret aan met een zilveren aansteker. Hoeveel zou die gekost hebben?
            ‘Soms,’ antwoordde ik.
            ‘Echt kwaad?’
            Ik haalde mijn schouders op.
            ‘Ik wel,’ zei ze toen ze de rook liet ontsnappen.
            De lege plek bij het raam lonkte. ‘Ik heb een meeting,’ loog ik.
            De raaf knikte en wuifde met haar sigaret: Ga dan! As viel op haar witte blouse. Ze zag me staren. Ze dacht natuurlijk dat ik naar haar tieten keek. ‘As,’ stamelde ik, terwijl ik halfslachtig naar haar blouse wees. Snel draaide ik me om en rende naar de lift.
            De flexwerkplek was nog vrij en Dolores zat ver bij me vandaan. Eenmaal was het lot me gunstig gezind. Ik opende Excel om mijn facturen te verwerken, maar al snel ging er een laatje in mijn gedachten open.
            ‘Ik wil niet meer,’ zei Penny.
            ‘Wat bedoel je?’ vroeg ik.
            Ze zweeg.
            ‘Heb je een ander?’
            ‘Nee.’ Ze had me indringend aangekeken. Ze had me net zo goed in mijn ballen kunnen stompen.
            ‘Wat is er dan?’
            ‘Jij neemt nooit iets serieus.’
            ‘Dat vond je toch juist leuk aan mij?’
            ‘Drie jaar geleden misschien. Maar je hebt nog steeds geen baan, je teert op je ouders’ geld. Altijd maar feesten en laat thuiskomen.’
            ‘Niet altijd. Laatst lag ik er om twee uur al in.’
            Ze zuchtte. ‘Daar gaat het niet om. Ik wil een huis kopen, samenwonen, een hond, een baby.’
             Haar toekomstbeeld stond voor mijn jongere zelf gelijk aan de hel. Dus hij stond daar maar en zweeg. 
            Penny raakte zijn wang aan en zei: ‘Sorry. We gaan gewoon nergens naar toe.’
            Voor geen goud wilde mijn jongere zelf mee naar dat burgerlijke inferno. Dus hij knikte.
            Woedend wilde ik hem tegen zijn schenen schoppen en roepen: ‘Laat haar niet gaan!’ Maar in plaats daarvan draaide Penny zich om en bleven we allebei verstijfd achter.

In de supermarkt kon ik niet kiezen tussen stamppot boerenkool en pasta carbonara. Net toen ik de stamppot wilde pakken, stootte er iets tegen me aan.
            ‘O, sorry, sorry,’ zei een vrouw met een kinderwagen.
            Ik wilde naar neersabelen met een paar scheldwoorden. Tot ik zag hoe vermoeid ze oogde. Met moeite wist ik mijn beschimpingen in een glimlach te persen. In de wagen lag een verschrompelde druif. Ik moest Katsuro nog antwoorden.

Deurtje open. Pasta erin. Er kraakte iets. Ineens hield ik het afgebroken magnetrondeurtje in mijn hand. Ik staarde ernaar en ik hield mijn adem in, hopend dat ik de situatie zo ongedaan kon maken, tot ik duizelig werd. Het deurtje kletterde op de keukenvloer. Mijn maag riep om eten. Op mijn telefoon zocht ik: ‘Kan je een magnetron gebruiken zonder deur?’ Ik vond enkel waarschuwingen voor de straling.
            Een pan. Ik moest er één hebben. In mijn keukenkastje vond ik een koekenpan die stof had verzameld. Ik blies en gooide de zompige pasta erin. Toen ik hem op het fornuis had gezet, zocht ik mijn aansteker. Driftig trok ik alle laatjes open. Geen aansteker, geen lucifers. Met een vork prikte ik in de koude pasta en nam een hap. Het smaakte naar dode puppy’s en tranen.
            Mijn eerste impuls was om Penny te bellen. Mijn telefoon lag al in mijn hand toen ik besefte dat ik haar nummer had verwijderd. Shit. Ze zei altijd dat ik het moest onthouden, voor noodgevallen. Er was een ezelsbruggetje voor. Het was iets met dertien. Haar verjaardag. En daarna het jaartal dat ze haar zwemdiploma had gehaald. Verdomme. Hoe kon ik dat nou weten?
            De magnetron zag er zielig uit zonder deurtje, als een gepest jongetje wiens bril net was afgepakt. In plaats van medelijden welde er woede in me op. Hoe durfde dat kloteapparaat er zomaar mee op te houden? Met beide handen pakte ik hem vast en hield hem boven mijn hoofd. Vanaf het balkon gooide ik hem naar beneden. Het moment dat zijn witte pootjes de grond raakten was magisch. De landing werd gevolgd door een luide klap, die galmde tegen het huis van de overburen. Even was ik bang dat iedereen het had gehoord. Ik dook naar beneden en liet mijn rug rusten tegen de koele verwarming. Buiten klonk stilte. Er gingen geen deuren open. Ik was vrij.

Mijn maag trok me aan mijn mouw naar buiten en dwong me op de fiets te stappen naar het centrum. In gedachten at ik onderweg een pizza, een broodje döner en drie kaassoufflés. Toen ik langs het nieuwe french fusion restaurant fietste, kreeg ik een beter idee: drie gangen met passende wijnen.
    De serveerster vroeg of ik alleen was. Ik wilde vragen of ze stront in haar ogen had. In plaats daarvan zuchtte ik hard. Demonstratief ruimde ze het extra setje bestek op.
            De eerste gang, gebakken eendenlever op toast van brioche, was de hemel. De bijpassende wijn smaakte zo fruitig dat ik een extra glas bestelde. Ik dompelde me dieper in het warme bad van smaken. De tweede gang was, zo mogelijk, nog beter: entrecôte van boerderijkalf, groene asperge, jus van salie en grove mosterd. En de wijn, een Pino Noir! Ik dacht dat ik erin zou verdrinken.
            Na de trifle van witte chocolade met mandarijngelei en bloedsinaasappelsorbetijs trok ik me terug op het toilet. Mijn kringspier ontspande en ik scheet de pot vol. Ik was een raket die door de dampkring schoot, onderweg naar leven op een nieuwe planeet. Waarschijnlijk zou mijn komst het leven op die planeet direct doen uitsterven, maar toch. De wijn kroop dieper in mijn hoofd. Vandaag was mijn dag.

Misschien was het toeval dat het restaurant twee straten bij Penny’s huis vandaan was. Nadat ik een royale fooi had gegeven, leidde mijn fiets me naar haar straat. Alle ramen waren donker. Ik stopte voor haar huis en belde aan. Ik belde aan. Ik belde aan.
            ‘Penny!’ riep ik naar de zwarte ramen. ‘PENNY!’ Een raam ging open. Godzijdank. ‘Penny, wanneer heb je je zwemdiploma gehaald?’
            ‘Wie de fuck ben jij, gast?’ riep een zware stem naar beneden. De grond waarop ik stond veranderde in de trifle die ik net had gegeten en ik zakte door de laagjes naar beneden. Vanuit het gat riep ik omhoog: ‘Waar is Penny?’
              Toen klonk er een andere man met een piepstem: ‘O my god, is dat Jason?’
            ‘Het is een of andere random dude,’ zei de zware stem.
            ‘Hij lijkt echt op Jason.’
            ‘You wish.’
            ‘Haha meid, laat me.’
            Ik snapte niks van het gesprek. Waar was ze? ‘Penny!’
            ‘Ken jij een Penny?’ De mannen praatten zachtjes met elkaar.
            ‘Heette die meid die hier eerst woonde niet Penny?’
            ‘Penelope volgens mij.’
            ‘O, Penelope. Penny.’
            ‘Sorry, schat, ze woont hier al vier jaar niet meer.’ De zware stem schalde naar beneden en verdween met het sluiten van het raam.
            Mijn voeten zakten nog verder weg. Vier jaar. Bedoelde hij niet vier maanden?
            De smaak van haar huid. De sproeten die ze kreeg van de zon. De hoekige vorm van haar oren. Haar lach was moeilijker. Had iemand er een verduisterend filter tussen gezet? Ik zag alleen haar tanden. Lange witte staven. Ze dansten om me heen en veranderden in een klepperend bejaardengebit, zoals in een tekenfilm die ik vroeger had gezien. Het gebit lachte me uit en beet toen hard in mijn kont. Van schrik sprong ik op uit de diepte.
            Mijn binnenste kraakte toen ik weer in beweging kwam. Het geluid deed me denken aan het magnetrondeurtje, vlak voordat het afbrak. Mijn voeten landden op de straattegels. Een schok trok door mijn lijf. Zandkorrels schuurden onder mijn zolen. Een briesje aaide mijn wang. Frisse lucht bereikte mijn longen. Adem in. Adem uit.
            Eerst Katsuro. Ik pakte mijn telefoon en stuurde naar hem ‘Gefeliciteerd!’ met een duim omhoog. De aangekoekte prop. Als ik straks thuiskwam, zou ik hem van de grond schrapen en een waardig einde geven in mijn prullenbak. Mijn moeder stuurde ik een berichtje dat het goed met me ging en dat ik haar morgen zou bellen, na werk.
            Werk. Ineens leek het een onmogelijke opgave om terug te keren naar het grijze beton, de rokende raaf en Dolores’ aanvallen op mijn reukzintuig. Morgen zou ik een sollicitatiebrief schrijven. Misschien was een kantoorhamster verzorgen zo gek nog niet. Misschien kon ik haar Penny noemen.

Dit verhaal stond op de shortlist van schrijfwedstrijd ‘Grijze Klever’ van Godijn Publishing en is in 2018 gepubliceerd in een gelijknamige bundel.